Jeroen Vissers

dorpsjournalist, trouwambtenaar en schrijver die al meer dan 20 jaar op het punt staat om door te breken

Een dorp vol collega’s

‘Ik zou dat niet kunnen, net als jij, zo alleen op kantoor …’

Woensdagochtend zit ik aan de koffie. Privé. Even iemand die wat stoom af had te blazen. Of ik even tijd voor hem had? Ja hoor, kom maar.

Hij heeft collega’s om hem heen nodig, vertelt hij. Wat reuring. Het gevoel dat er wat om heen gebeurt.

Voor mij is het alweer lang geleden dat ik collega’s had. In mijn eerste baan, data entry, zat ik met een boekhouder op kantoor, die zo veel kettingen heeft gerookt dat My Jewellery er nog jaloers op zou worden.

(Als ik aan hem denk, moet ik aan de speech denken die een maat van me sprak bij de uitvaart van zijn vader: ‘Pap, het is je eindelijk gelukt: je bent gestopt met roken …’)

In mijn tweede baan zat ik op een commerciële binnendienst, met een paar leuke collega’s weliswaar maar met saai werk – ik noteerde en verwerkte orders ondertapijt, jaja – en zonder uitzicht naar buiten.

Even heb ik nog met 7 dames op een kantoor gezeten, toen ik was gevraagd om het bedrijf naar ISO-certificering te brengen. Veel van opgestoken, vooral van de openhartige gesprekken tussen hen. Zet mij in een groep vrouwen en ik praat over elk onderwerp mee alsof ik een van hen ben. Daar geleerd!

In mijn volgende baan had ik een kantoor voor mezelf. Maar dat was dan een typisch kantoorkantoor: een doods hok, drie bij drie misschien met een tafel en een computer daarop. Verder niks.

Dus je begrijpt: toen ik halfweg twintig besloot om voor mezelf te beginnen, was een werkplek elders, een plek met collega’s, het laatste wat ik dacht dat ik zou gaan missen. Ook omdat ik als razende reporter veel op pad ging. Interviewtje hier, reportage daar.

Goede keuze geweest om alleen te werken.

Want als ik schrijf, murmel ik continu mee met wat ik schrijf. Mijn vingers proberen dat wat ik uitspreek bij te houden of in te halen. Collega’s zouden me al lang voor een zonderling hebben gehouden!

Ik werk vanuit een kantoor in de tuin, met veel glas, zodat ik de mereltjes in het gras zie pikken (het gras mag je geen gazon noemen, maar ik weiger stug om kunstgras te nemen, omdat de vogels dan niet meer komen), een kantoor met veel planten, met een tafeltje waar ik de tomaten opkweek, met een zithoek, met allerlei persoonlijke spulletjes en herinneringen om me heen, met foto’s van mensen aan de muur die me inspireren …

Het is mijn werkplaats, mijn schrijfatelier, mijn hok. Het hoofdkantoor van de Erpse Krant.

De plek ook waar mijn tuba staat. Als ik even vastzit, ga ik spelen.

Ik red me wel, in mijn eentje.

En als ik mensen nodig heb, fiets ik een rondje en kom dan altijd wel iemand tegen met wie ik even kan kletsen.

Afgelopen winter heb ik me even afgevraagd of ik eens rigoureus zou moeten veranderen van perspectief. Een keer een totaal andere richting inslaan. Ik heb zelfs twee meeloopdagen gedraaid. En echt, dat was supermooi. Voel me zelfs dankbaar dat ik even die andere wereld in heb mogen stappen, maar …

Dit is mijn leven.

Dit is mijn werk.

Dit is wat ik moet doen.

Alles loopt door mekaar heen. Alles is met elkaar verbonden. Werk, privé, dorp … En nee, ik heb niet één of enkele vaste collega’s, maar als dorpsjournalist het gevoel dat ik juist ontzettend veel collega’s heb: het hele dorp …

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *